David Baron

Hen behoren de vaderen toe

We vervolgen de opsomming in Rom. 9:4 en 5 van de privileges die Israël bezit als gevolg van haar roeping: “Hen behoren de vaderen toe.” 

O mijn vrienden, wanneer u vernieuwde liefde en belangstelling voor het Joodse volk wilt gaan koesteren, denk dan aan de vaderen. Denk aan Abraham, Gods vriend (Jes. 41:8), met zijn sterke geloof. Die niet twijfelde aan Gods beloften, en zo een voorbeeld voor al Gods kinderen werd.

 

Denk aan Izaäk, die zich op het altaar als brandoffer liet vastbinden, en zo een beeld werd van de Messias. Denk aan Jozef, zo gelijkend op onze Heer Jezus door zijn reine levenswandel, zijn lijden en zijn verhoging. Aan Mozes, de grote wetgever, die bereid was zich op te offeren voor zijn volk.

Denk aan Israëls profeten en psalmdichters, van wie u de woorden voortdurend gebruikt om uw diepste gevoelens van berouw, vertrouwen, toewijding en dankbaarheid uit te drukken. Denk aan die “ouden” die door hun geloof een goed getuigenis kregen. Hun portretten hangen in de eregalerij van Gods geloofshelden, als voorbeelden voor ons.

Geen wonder dat er staat dat ze omwille van de vaderen nog steeds geliefden zijn (Rom. 11:28).

Veel christenen zijn de relatie tussen de arme zwervende Joden in hun midden en hun edele voorvaderen vergeten. Dat doet me opeens denken aan een prediker die zijn zomervakantie doorbracht in een plaatsje in Sleeswijk-Holstein. Om belangstelling te wekken voor Gods volk verzamelde hij op een goede dag een aantal boeren om zich heen. Hij herinnerde hen aan de verplichtingen van de christenen ten opzichte van het Joodse volk. Hij vertelde over Israëls geschiedenis en hoe we door hen Gods woorden hebben gekregen. Ook sprak hij over “de vaderen” en de profeten en kwam uiteindelijk aan bij het Nieuwe Testament. Hij constateerde dat ook alle apostelen van onze Heer Jezus Joden waren.

Op dat punt aangekomen werd hij door een van de boeren onderbroken. Deze stond op en zei: “Neemt u me niet kwalijk, meneer. Jezus Christus had inderdaad 12 apostelen maar slechts een van hen was Joods, en dat was Judas.”

Ik vrees dat deze arme, onwetende boer uitdrukking gaf aan wat massa’s christenen geloven. Ze denken aan Judas maar vergeten dat Petrus en Andreas, Jacobus en Johannes en al de andere apostelen ook tot Israël behoorden.

Natuurlijk, er zijn nog steeds Judassen onder de Joden. Maar geldt dat niet net zo voor de niet-Joden? Ze komen zelfs voor onder degenen zich volgelingen van de Messias noemen!

Maar, God zij dank, er bevinden zich onder hen ook nog zoals de discipel Johannes, dien Jezus liefhad. En Nathanaëls, Israëlieten in wie geen bedrog is. En Paulussen en Apollossen, machtig in de Schriften en trouwe dienaren van de waarheid. Die velen onderwezen hebben, niet alleen van hun eigen natie maar ook van de heidenen.

Uit hen is de Messias voortgekomen

We bereiken nu de climax. Al de voorgaande stappen verbonden het Joodse volk met alles wat heilig is in de geschiedenis van de wereld en van de mensheid. Maar deze laatste stap verbindt Israël met de hemel zelf.

Uit hen is de Messias voortgekomen, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid

O, mijn vrienden, telkens wanneer u de troon van Gods genade nadert, bedenk dat dat degene aan zijn rechterhand, voor zover het zijn mens-zijn betreft, voor altijd verbonden is met die natie. Geboren uit een Joodse maagd, familie van David, uit de stam Juda … Ik verwacht geen liefde of belangstelling voor de Joden bij degenen die de Messias niet kennen. Maar ik vraag me wel af of het mogelijk is om écht christen te zijn, zonder liefde of sympathie voor Israël.

Uit hen is de Messias voortgekomen. Aan hem zij, samen met de Vader en de Heilige Geest, voor altijd de eer. Amen.