Victor Buksbazen

“Beste meneer Segal, bestaat er een hemel, en als die er is, wat zijn dan mijn kansen daar te komen?” Zo schreef een bejaarde Joodse dame aan de inmiddels overleden columnist Alfred Segal. “Misschien kunt u ons vertellen waar wij allen naar toe gaan vanhier, als we al ergens naar toe gaan. Aangezien wij al aardig op leeftijd zijn, stellen mijn man en ik ons van tijd tot tijd deze vraag maar wij vinden nooit een antwoord. Hoe denkt u hierover en wat zegt onze Tenach hierover?”

Op deze prangende vraag kon Meneer Segal geen afdoend antwoord geven.
Er zijn miljoenen mensen die, net als deze Joodse dame, met groeiende ongerustheid vragen: “Waar gaan wij naar toe?”  “Bestaat de hemel?”  “Wat moet ik doen om eeuwig leven te verkrijgen?”
Vroeger of later zullen we allemaal deze belangrijke vraag onder ogen moeten zien: Waar gaan we  naar toe hier vandaan?

 

Onsterfelijkheid in het Oude Testament

Laten we ons richten op Tenach en een onderzoek instellen naar het Joodse onderwijs over dit onderwerp door de eeuwen heen.
Tenach is er niet op uit om de onsterfelijkheid van de mens te bewijzen. Het veronderstelt die, net zoals het bestaan van God verondersteld wordt. God is de bron van alle werkelijkheid. Hij is de hoogste Werkelijkheid. De ziel is onsterfelijk omdat Hij, die de ziel van de mens schiep, Zelf onsterfelijk is.
Het boek Genesis vertelt dat God de Schepper van alle leven is, van planten, dieren en de mens. Alleen van de mens is gezegd dat hij naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen is.

‘En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis…En God schiep de mens naar zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.’ Gen. 1:26, 27

Het  sombere beeld dat in het boek Prediker geschetst wordt, geeft niet zozeer het geloof van Salomo zelf weer, maar de positie van een verward mens die naar het leven kijkt los van God:

‘Want het lot van de mensenkinderen is gelijk het lot van de dieren, ja eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof.’ Pred. 3:20,21

Salomo’s  echte geloof in de onsterfelijkheid van de mens wordt weergegeven in de volgende tekst:

‘..en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.’ Pred. 12:7  

Misschien is de meest duidelijke geloofsuitspraak over de onsterfelijkheid van de mens gedaan door Job:

‘Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij over het stof opstaan. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde ...’ Job 19:25-27

Als we bij de Psalmen komen, vinden we talloze plaatsen die het geloof in een eeuwig leven, leven met God voorbij het graf, duidelijk uitdrukken.
‘ Maar ik zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken verzadigd worden met Uw beeld.’ Ps.17:15
‘Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen.’ Ps.29:16

Hetzelfde geloof in de uiteindelijke overwinning van God over de dood is ook door de profeet Jesaja tot uitdrukking gebracht: ‘Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen ...’ Jes. 25:8
Het is interessant op te merken dat eenzelfde geloof in Gods uiteindelijke overwinning over de dood  ook voorkomt in het welbekende Pesachlied, Chad Gadja. Het eindigt met de volgende passage:

‘Toen kwam de Heilige, gezegend is Hij, en Hij vernietigde de engel des doods..’

Hier hebben we een echo van de woorden van Paulus:

‘De laatste vijand die onttroond wordt, is de dood …’ 1 Kor. 15:26

Het visioen van het dal vol dorre beenderen uit Ezechiël 37:1-28, in eerste instantie van toepassing op de herleving van Israël als volk, veronderstelt eveneens het geloof in de opstanding van het individu, want zonder dat is een nationale herleving  ondenkbaar. De dramatische beschrijving van de lichamelijke opstanding wordt hier gebruikt als een beeld van nationale herleving.

‘ Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkaar behoorden; ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen. Daarop zei Hij tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here HERE: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger.’  Ezech. 37:7-10

In dit majestueuze tafereel is de opstanding zichtbaar gemaakt als een herschepping van mensenlichamen door de kracht van Gods bevel en Gods adem.
En weer: ‘Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.’ Daniël 12:2

 

Onsterfelijkheid in de apocriefe boeken

Als we bij de literatuur komen die de 400-jarige periode beslaat tussen Tenach en het Nieuwe Testament, dan zien we een steeds groter wordend aantal geloofsgetuigenissen van de onsterfelijkheid van de ziel en de opstanding van het lichaam.
De literatuur uit deze periode staat bekend als de Apocriefe Boeken en de Pseudepigrafen.

Het woord ‘apocrief’ komt uit het Grieks, en betekent ‘verborgen’ of ‘mystiek’. Later kregen deze geschriften de bijbetekenis van legendarische of onechte, vervalste literatuur. Ze waren niet opgenomen in de canon van de Bijbel. En hoewel  ze als nuttig en opbouwend werden beschouwd,  waren ze nooit  aangemerkt als door God geïnspireerd.
Niettemin zijn de Apocriefe Boeken en de Pseudepigrafen belangrijke historische documenten waardoor we in staat zijn kennis te nemen van de geloofsovertuigingen van Joden gedurende de periode tussen Tenach en het Nieuwe Testament.
Van speciale betekenis voor ons onderwerp is het Boek Henoch, ongeveer uit het midden van de tweede eeuw v. Chr..  Daar is het lot van de rechtvaardigen in het hiernamaals als volgt beschreven:

‘En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen te dien dage gered worden. En zij zullen van die tijd af nooit het gezicht zien van de zondaren en de onrechtvaardigen. En de Heer der geesten zal bij hen vertoeven.’ Henoch 62:13-15

Aan de andere kant is het lot van de onrechtvaardigen op de volgende manier uitgebeeld:  

‘Nu zullen zij tegen zichzelf zeggen:  “Onze zielen zijn vol onrechtvaardig verkregen gewin, maar dat voorkomt niet dat wij uit het midden daarvan afdalen in de last van het dodenrijk (Sheol).”  En daarna zullen hun aangezichten vol duisternis en schaamte zijn voor de Zoon des mensen. En zij zullen uit zijn tegenwoordigheid verdreven worden. En het zwaard zal voor zijn aangezicht in hun midden vertoeven.’ Henoch 63:10,11

Volgens het Boek Henoch zal na de dood het oordeel plaatsvinden wanneer God en de Messias Rechter zullen zijn. Dan zullen God en de Messias oordelen en triomferen.

‘In die dagen verzocht de Heer hen (de rechtvaardigen) de kinderen der aarde te ontbieden en tegen hen te getuigen aangaande hun wijsheid: “Laat het hun zien; want jullie zijn hun gidsen, en een vergelding over de hele aarde.”
Want Ik en Mijn Zoon zullen voor eeuwig met hen verenigd zijn in de paden der oprechtheid in hun leven; en jullie zullen vrede hebben. Wees verheugd, jullie kinderen der oprechtheid. Amen.’ Henoch 105:1,2  

Ook de Apocalyps van Baruch - waarvan men aanneemt dat het rond het jaar 100 geschreven is - geeft in de hoofdstukken 49:2 en 51:10 uitdrukking aan het leven in het hiernamaals.

We merken verder op dat in de literatuur uit de periode tussen Oude en Nieuwe Testament het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel en de opstanding van het lichaam meer nadrukkelijk en uitgesproken naar voren kwam dan in vorige eeuwen. Dit geloof heeft vaak sterke overeenkomst met het Nieuwtestamentische onderwijs over dit onderwerp.

 

Onsterfelijkheid in de rabbijnse literatuur

Als we bij de grote verzameling  rabbijnse literatuur komen, bekend als de Talmoed (bij benadering ontstaan tussen 200 tot 600), dan treffen we daar een  onmetelijke bron van standpunten en geloofsuitspraken aan die over onsterfelijkheid gaan.
In de Mishna, het vroegste gedeelte van de Talmoed, is het belangrijke traktaat Pirke Aboth (Spreuken der Vaderen) opgenomen. De volgende gedachten over de opstanding en het toekomstige oordeel zijn daarin tot uitdrukking gebracht:

‘ Rabbi Elazar ha-Kappar zei:  Afgunst, begeerte en verwaandheid verkorten het leven van een mens.’
‘ Hij was gewoon te zeggen: Zij die geboren worden,  zijn bestemd om te sterven; zij die dood zijn, zijn bestemd om opnieuw tot leven gewekt te worden, en de levenden zijn bestemd om te worden geoordeeld. Zodat men mag weten, bekend maken, en de zekere kennis mag hebben dat hij God is. Hij is de Maker, hij is de Schepper, hij is Degene die opmerkt, hij is de Rechter, hij is de Getuige, hij is de Aanklager; Hij is het die zal dagvaarden ten oordeel. Gezegend is hij in wiens tegenwoordigheid er geen overtreding is, noch vergeetachtigheid, noch aanzien des persoons (partijdigheid) en evenmin omkoperij (…)’ Pirke Aboth 4:28,29

Bovengenoemde passage kan beschouwd worden als het klassieke standpunt van het traditionele Jodendom over de opstanding sinds het begin van de christelijke jaartelling.

 

Onsterfelijkheid in het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament is de meest betrouwbare bron van informatie met betrekking tot de  zienswijzen en verschillende meningen over onsterfelijkheid onder de Joden in de eerste eeuw. Men moet bedenken dat het Nieuwe Testament vele generaties voorafging aan de Talmoed.
Het is in het Nieuwe Testament dat we voor het eerst horen dat de Sadduceeën niet in de opstanding geloofden:

‘En er kwamen Sadduceeën tot Hem (Jezus), die beweren dat er geen opstanding is.’ Marcus 12:18 

‘Want de Sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, noch engel noch geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander.’ Hand. 23:8

Deze aangehaalde teksten geven ook aan dat de Farizeeën en de rabbi’s hetzelfde geloof in de opstanding hadden als Jezus en de apostelen.

Het is duidelijk dat in Bijbelse tijden en gedurende vele eeuwen later, de Joden zowel in de onsterfelijkheid van de ziel als in de opstanding van het lichaam geloofden. Het oude Joodse gebedenboek (Siddoer) bevat veel  geloofsuitspraken dienaangaande.
De vrome Jood wordt geacht elke morgen bij het opstaan het volgende gebed te bidden:

‘O mijn God, de ziel die Gij mij gegeven hebt, is zuiver; Gij schiep hem, Gij blies hem mij in, Gij houdt hem in mij in stand; en Gij zult hem van mij nemen, maar zult hem aan mij teruggeven in de toekomst. Zolang als de ziel in mij is, wil ik U dankzeggen, o Heer mijn God en God van mijn voorvaders, Heerser over alle werken, Heer van alle zielen! Gezegend zijt Gij, o Heer, die de zielen teruggeeft aan dode lichamen.’ (Dasberg-siddoer blz. 5)

Het 13e geloofsartikel van de beroemde Maimonides luidt als volgt:

‘Ik geloof met volkomen geloof dat er een opstanding der doden is op de tijd dat het de Schepper zal behagen, gezegend zij zijn naam, en verheven zij de gedachtenis aan hem voor eeuwig en altijd.’ (Dasberg-siddoer, blz. 385)

Alleen  in moderne tijden heeft er een loslaten van het klassieke  geloof plaatsgevonden. Hoewel het Reform-Jodendom niet de onsterfelijkheid van de ziel verwerpt, is het vaag over dit onderwerp. Veel liberale rabbijnen geven in privé-sfeer uiting aan hun ongeloof in onsterfelijkheid en opstanding. Een Joodse begrafenis is doorgaans een heel droevige aangelegenheid, met veel verdriet en wanhoop. Geloof in de opstanding der doden, dat zo kenmerkend is voor de christen, is pijnlijk afwezig.

In principe zijn Joden en christenen het met elkaar eens als het gaat om de opstanding en het eeuwige leven. Echter, als in zo veel andere opzichten, geeft het Nieuwe Testament ons een completer en een meer welomlijnde leer van de opstanding en de onsterfelijkheid dan in welk ander Joods geschrift dan ook kan worden gevonden.

‘ Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven..’ Joh. 10:25

Paulus leert dat de ontkenning van de opstanding van het lichaam leidt tot de ontkenning van de opstanding van Jezus:

‘ Indien nu van de Messias gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook de Messias niet opgewekt. En indien de Messias niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.’ 1 Kor. 15:12-14   

Wat voor soort lichaam zal het opstandingslichaam zijn? Paulus vertelt ons dat het een getransformeerd lichaam zal zijn. Hoewel het enige overeenkomst zal hebben met het vroegere lichaam, zal het opgewekte lichaam anders zijn, zoals tarwe verschilt van het zaad waaruit het is opgekomen.

‘Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam’ 1Kor. 15: 42-44

Hoewel het Nieuwe Testament de opstanding van alle mensen leert, zal toch niet iedereen met vreugde uitzien naar de opstanding. Jezus waarschuwde zijn volk met deze woorden: 

‘Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.’  Joh. 5:28,29

Het zijn alleen zij die Jezus als Messias Verlosser van zonde en als Heer van hun leven hebben aanvaard die reden hebben om met vreugdevolle verwachting uit te zien naar de opstanding uit de dood. Zij kunnen met Paulus triomferend uitroepen:

‘Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus de Messias’ 1 Kor. 15:55-57                                                                                                

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het maandblad Hadderech.

Gelijksoortige artikelen