In het zomernummer van Hadderech, veel aandacht voor ds. Johannes Rottenberg. We kozen voor hem omdat hij een van de drie personen is van wie de studiegroep Messiasbelijdende Joden in Ede dit jaar nagaat wat zij ons ook vandaag nog te zeggen hebben. Dat is in het geval van ds. Rottenberg veel.
In 1941 werd hij na een anti-Duitse preek opgepakt door de Duitsers. Vanwege zijn niet-Joodse vrouw had hij de dans kunnen ontspringen maar hij had ervoor gekozen om te spreken. Zijn vermoedelijke motief vinden we in zijn uitspraak:  “Er komt een tijd dat je moet spreken, wil je je ziel redden.” Rottenberg overleed in 1942 in de kwikzilvermijnen van concentratiekamp Mauthausen, 53 jaar oud. “Opgeroepen tot de volmaakte verheerlijking van zijn Messias en Zaligmaker”, schreef de familie in het overlijdensbericht.

 

G.J. Ornstein

Spreken om je ziel te redden

 

Aangetrokken door Jezus’ gelijkenissen

Van de jeugd van Alter Mendel Johannes Rottenberg is weinig bekend. Te Dombrowa in Galicië werd hij in 1888 geboren als zoon van Rabbijn Izak Rotenberg en Debora Werker. Zijn eerste jeugdjaren bracht hij voor het grootste deel door in het Jodencentrum van Krakau. Deze tijd was voor zijn latere Zendingsarbeid van buitengewone betekenis. Wie toch kende de Jood en zijn godsdienst beter dan hij, die er in geboren en ge­togen was? Zijn vader, die in gedachten deze zoon reeds als geëerd en be­roemd rabbijn zag, zond hem voor het volgen van een driemaandelijkse cursus in Talmoed-studie, naar een zekere Dr. Cohn te Bazel. Daar hoorde hij, bij een dispuut tussen twee Joodse studenten over Jezus van Nazareth, verschillende aanhalingen uit het Nieuwe Testament. Dit wekte sterk zijn nieuwsgierigheid, zodat hij graag dit boek wilde bezitten. Gelukkig kon hij een klein exemplaar aanschaffen en in het geheim daarin gaan lezen. De gelijkenissen trokken hem bijzonder aan. Toch kon noch durfde hij met iemand erover spreken, waaraan hij evenwel behoefte gevoelde. Hij ging in de parken en verzamelde een aantal kinderen om zich heen, aan wie hij “die wonderschone verhalen, in hun klare eenvoud zelfs voor kleine kin­derharten, zo aantrekkelijk” vertelde, zonder de bron te noemen.


Verzoend met God

Het bleef intussen niet verborgen vanwaar de vertelstof kwam en vanzelf werd het hem hoogst kwalijk genomen. Hij ging verder met de studie van het Nieuwe Testament en de begeerte werd sterker om de gerezen vragen te bespreken met iemand, die afdoend antwoord kon geven. De enige, die in Krakau hiervoor in aanmerking kwam was de Jodenzendeling Friedental, die vanwege de London Jews Society daar werkte. Na veel vrees te heb­ben overwonnen werd, met een vriend, een bezoek aan deze gewaagd. Niet zonder gevaar, aangezien zij voor hun Joodse stadgenoten, door kle­ding en haardracht, dadelijk kenbaar waren als leerlingen van de Rab­bijnenschool.

Diep in de nacht werden deze bezoeken later herhaald. De zendeling adviseerde om naar zijn collega Zalman in Holland te gaan, die behalve voor verder onderricht ook voor levensonderhoud wilde zorgen. Daar van de familie geen goedkeuring voor zulke plannen viel te verwachten, bleef er niets over dan een vlucht uit het ouderlijk huis. De reisgezel werd ziek en bleef in Berlijn achter, zodat de jonge Rottenberg in 1911 alleen in Rotterdam kwam, nadat zendeling Zalman hem het reisgeld had gezonden. Laatst­genoemde gaf hem met grote hartelijkheid een plaats in zijn huis en spoe­dig ook in zijn hart. Intussen speurde vader Rottenberg met succes naar zijn weggelopen zoon en schreef hem een brief vol waarschuwing en drei­ging, waarop prompt het antwoord kwam: “Maak U niet ongerust, ik laat mij niets opdringen, zolang ik niet van de waarheid daarvan overtuigd ben.” Als gevolg van vaders bemoeiing kwamen twee leden van het Rotterdamse Rabbinaat de jonge Rottenberg bezoeken. Er ontstond een debat, van weerskanten met grote levendigheid gevoerd, waarbij zendeling Zalman - als ongezien toehoorder - zijn jonge vriend ondersteunde met een voort­durend gebed. Men gaf elkander niets toe en een bevredigend slot ontbrak.

Op Rottenberg maakte dit een diepe indruk en het licht ging hem op, klaarder dan ooit tevoren, zodat hij thans vroeg gedoopt te mogen worden. Vóór het zover was werd hij door zendeling Zalman nader onderricht. Liefst laten wij hem hierover zelf aan het woord:

“Wij begonnen steeds met gebed en het was toen dat ik voor 't eerst waarlijk heb horen bidden; niet een gebed door anderen opgesteld, maar een persoonlijk spreken van het mensenhart tot Gods hart in Christus Jezus. En daarna begonnen wij de Schriften te onderzoeken “of deze dingen alzo waren”. En in dat onderzoek werd de gehele Joodse godsdienst door zendeling Zalman zo belicht dat het geen abstractie maar een werkelijkheid voor mij werd en ik de godsdienstige Jood zag in zijn huidige verblindheid, maar ook in zijn ijver tot God zonder verstand. Ik zag de, voor hemzelf verborgen, geestelijke betekenis van veel van zijn symbolische handelingen, maar ook de dwaasheid van zijn eigenwillige vroomheid.

De persoon van mijn onderwijzer was geen bijzaak, maar een machtig kanaal om mij dit alles bij te brengen, omdat hij Jood was uit de Joden. Ook het christendom zag ik heel anders dan vroeger. In een rooms land opgevoed, waren christenen voor mij aanbidders van beelden en hun leidslieden gevaarlijke mensen, die door ongeoorloofde middelen andersdenkenden tot hun kerk trachtten over te halen. Ik zag nu dat een christen niet iemand was die een geloof van zijn ouders als erfenis heeft meegekregen maar die kan getuigen: “Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht”.

En ik zag de zendeling als de man, die uit waarachtige liefde tot Israël het heil der Joden zocht. Vele waren de indrukken, die ik reeds van het N.T. had ontvangen, maar nu zag ik de Christus zelf en zijn heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, in wie God tot mij kwam en door wie ik tot God kon naderen. Ik ondervond persoonlijk de werking van de Heilige Geest, die mij vrijmoedig­heid gaf om te zeggen:

Ik ben met God verzoend door zijn Zoon Jezus Christus.



Van Rotterdam naar Amerika en terug

Toen zendeling Zalman hem vroeg de plaats van zijn vertrekkende hel­per in te nemen durfde hij dit eerst na veel gebed te aanvaarden. Drie jaren van samenwerking volgden.
Omdat Rottenberg ver­langde naar academische studie, die de zending hier niet kon bekostigen, trok hij naar Amerika. Een besluit, dat voor zijn vaderlijke vriend eerst moeilijk te aanvaarden was. In goede welstand bereikte hij New York, met als enig bezit de laatste dollar, die van de reis was overgebleven. Toch heeft het hem, naar zijn eigen getuigenis, geen dag aan iets ontbroken. Na een half jaar in Chicago bij de eerder genoemde zendeling Friedental te zijn geweest, die inmiddels daar was gaan wonen, vertrok hij in 1915 naar Paterson, waar de chr. gereformeerde kerk een zending onder Israël opende. En men had hem uitgenodigd haar eerste vaste arbeider te worden. De combinatie van studie en praktische zendingsarbeid viel meest ten gunste van de laatste uit. Tot hij besloot van 1917-1919 de colleges te volgen van het Calvin College te Grand Rapids.

Zijn tijdelijke zendingsarbeid was oor­zaak, dat de kerk zich ernstig ging bezinnen op haar roeping en taak ten opzichte van Israël. Men stelde iemand aan die in Chicago in de Joden­buurt begon te werken. Het werk vond aanvankelijk maar weinig voort­gang. Dr. Van Lonkhuizen, die naar Amerika een beroep had aangenomen, vroeg Rottenberg om van Grand Rapids naar Chicago te willen komen om orde op zaken te stellen. In zijn laatste studiejaar zijnde kon hij dit op den duur niet volhouden, omdat de studie zijn volle aandacht vroeg. Hij ging in Chicago studeren aan het theologisch seminarie, om zijn studie te voltooien en werd tenslotte geordend als predikant in de presbyteriaanse kerk.

In de Rotterdamse jaren verloofd met een dicht bij het zendingshuis wo­nend meisje, bleek spoedig dat niet alleen Rottenberg maar ook haar ouders naar Amerika wensten te vertrekken. Daar konden zij dan ook, nadat zijn posi­tie verzekerd was, in 1920 een gelukkig huwelijk sluiten. Na enige jaren krachtige en gezegende arbeid kwam uit Engeland een dringend verzoek om daar een opengevallen plaats te bezetten, dat hij niet kon afslaan. Zo kwam hij in september 1924 midden in de Jodenbuurt van Londen terecht. Uit zijn brieven uit die tijd blijkt, dat voor zijn prediking buitengewone belangstelling was onder de Joden, waarvan velen luisterden met een hon­gerend en dorstig hart. De rabbijnen waren fel in hun oppositie tegen hem, wat hem niet belette voort te gaan.

Intussen moest ook in Rotterdam de arbeid voortgaan, waarom na de dood van zendeling Zalman, een uit Rusland gevluchte jonge bekeerde Jood, die reeds in de zendingsvakken had gestudeerd, werd aangesteld. (Deze zendeling - Ph. Trostianitzky - is na behouden terugkeer uit een buitenlands concentratiekamp nog steeds actief). Door de groei van het werk werd hier na vier jaar naar een tweede arbeider uitgezien, ofschoon de financiën dit niet toelieten. Geheel ongezocht werd de aandacht van het Elimbestuur op Rottenberg gevestigd, die men aanvankelijk niet durf­de beroepen zonder behoorlijke financiële basis. Na een openhartig schrij­ven aan hem gericht, kwam zijn verrassend antwoord, dat hij toch naar Holland wilde komen, daar de zaak van Gods Koninkrijk boven alle be­denkingen van materiële aard uitging. Nadien kwamen nog sterke roep­stemmen van tijd tot tijd uit Engeland en Amerika, maar hij meende ken­nelijk door zijn Zender naar Nederland te worden geleid. Dit was in het najaar van 1929. De uitkomst heeft het bestuur en hem allerminst be­schaamd. Zijn eerste optreden bestond in een vurig artikel in de kerkelijke pers over “De tegenwoordige toestand der Joden”, waar hij de kerk krach­tig wees op haar roeping ten opzichte van Israël, gezien in Bijbels licht.


Standplaats Scheveningen

Vrij spoedig werd Overschie als woonplaats verwisseld met Scheveningen. In zijn woning ontving hij wekelijks vele Joden van alle rangen en standen, waaronder meermalen rabbijnen, die hij als een tweede Paulus soms urenlang onderwees over “De weg des vredes voor Joden en niet-Joden”. (Titel van één van zijn brochures). Zijn vele reizen door ons vaderland en spreekbeurten op verschillende kansels hadden een groeiende belangstelling voor de zaak van Israël ten gevolge. Tien jaar lang, van 1930 tot 1939, werd op zijn initiatief in augustus een Jodenzendingsfeest ge­vierd in Lommerrijk te Hillegersberg. Op zulke hoogtijdagen traden spre­kers op van diverse kerkelijke richtingen. Gebundelde toespraken zijn thans nog verkrijgbaar en zeer lezenswaardig.

De op meerdere plaatsen ontstane dameskransen, die aanvankelijk goederen voor Joodse emigranten op doorreis haar Amerika vervaardigden, later ter versterking van de kas, besloten in navolging van het zendingsfeest een jaarlijkse Elim-vrouwenconferentie te beleggen, die de onderlinge band zeer versterkte en de liefde tot de arbeid niet weinig ten goede kwam.
In Den Haag en Scheveningen werden tot 1940 wekelijkse samenkom­sten gehouden, zoals ook meerdere malen in Rotterdam, voor Joden en Chris­tenen, waar Rottenberg met bewonderenswaardige tact en geduld de stroom van felle tegenspraak tegemoet trad. Ongetwijfeld wierp ook dit werk vrucht af, zij het niet steeds zichtbaar.

Zelfs buiten de grenzen van ons land trad Rottenberg op. Geruime tijd werden er in Antwerpen samenkom­sten belegd in samenwerking met zendeling Trostianetzky en een zendingsarbeider van een Engelse vereniging. Uitnodigingen hiervoor werden persoonlijk in de Jodenbuurt verspreid, waardoor belangrijke con­tacten werden gelegd. Ondanks veel rumoer in de zaal was er toch aandacht en menig hoorder bleef met de sprekers napraten tot een laat uur. De beste ‘reclame’ voor dit werk maakte de Joodse pers door haar fel afkeurende kritiek.
Er werden ook zendingsreizen gemaakt door Midden- en Oost-Europa tot in Polen, waar Rottenberg ook zijn moeder nog bezocht. Bij die gelegenheden werd het evangeliezaad rijkelijk gestrooid. In meerdere plaatsen van ons land was de Christelijke gemeente getuige van openbare belijdenis en doop van een Joodse man of vrouw, die door Ds. Rottenberg tot Christus was geleid. Sommigen van hen zijn thans nog als predikant of zendeling in actieve dienst.


Van Scheveningen naar Mauthausen

Een groot moment heeft hij mogen beleven toen op 23 september 1939, op de Grote Verzoendag van het jaar 5700 de eerste steen werd gelegd van een zendingsgebouw te Den Haag, dat op 26 juni 1940 kon worden ingewijd. De bekende Ds. D. A. van den Bosch, later eveneens slachtoffer der Duitse terreur, hield Rottenberg verklaart in Polen Jesjiva-studenten de Schriftde feestrede. Helaas was het slechts één jaar in het bezit van de zending, toen de bezetter alle bezittingen, dus ook dit huis wederrechtelijk in beslag nam. Gedurende dit jaar voerde ds. Rottenberg menig gesprek met waarheid zoekende Joden in de kleine intieme zaal, waarvan de vruchten niet zijn na te rekenen.

In de zomer van 1939 kwam nogmaals een dringend verzoek van de Amerikaanse zending in Chicago waar Rottenberg voorheen zelf met zoveel zegen had gewerkt. Men had namelijk behoefte aan een goede vertaling van het Nieuwe Testa­ment in het Jiddisch. Daarvoor wist men geen betere keus dan hem. Eerst een persoonlijk bezoek, daarna dringende brieven, tenslotte een telegram. Toch vond hij geen vrijmoedigheid om Nederland te verlaten, ook al trok zijn hart zeer naar Chicago.

In Amerika zat men niet stil, evenmin als de vrienden hier. In oktober 1941, dus na het stilleggen van alle zendingsarbeid door de Bezetter, werd overeengekomen ds. Rottenberg voor de tijd van drie jaar aan de Amerikaanse zending uit te lenen, om de gewenste vertaling te vervaardigen. Daar­na zou hij naar Holland terugkeren.
Inmiddels waren de V.S. in de oorlog gewikkeld. Een normale overtocht per schip was uitgesloten. Slechts per vliegtuig via Portugal bleef nog een weg open. Daarop spitsten zich nu de voorbereidin­gen toe. Hij zelf had reeds een begin gemaakt met het vertalen van de Evangeliën en de brief van Jacobus. Toen schrijver dezes hem op 30 december 1941 voor het laatst in zijn studeerkamer ontmoette toonde hij verheugd de manuscripten. Wie iets weet van de enorme werkkracht van deze kleine, tenger gebouwde man, die door de realiteit van zijn geloof fabelachtig veel werk verzette, kan zich zelfs nu nauwelijks van de gedachte losmaken, dat hij te vroeg heenging.

Helaas, zouden wij zeggen, God beschikte anders. Niet Chicago, maar de gevangenis te Scheveningen, het kamp te Amersfoort, resp. Buchenwald en Mauthausen wachtten hem. Zijn relaties met Amerika en allereerst zijn Jood-zijn maakten hem bij de Duitsers sterk verdacht. Bij een huiszoeking op 17 januari 1942 tijdens zijn afwezigheid, vonden zij behalve briefwisse­ling met de vijand Amerika, beschreven vellen met Hebreeuwse letters die samen genoeg bezwarend materiaal opleverden. 's Maandags de 19e daaropvolgend moest hij zich vervoegen op het Haagse Binnenhof, waarna hij niet meer thuis werd gezien. In een brief schreef hij: “Ik ben bij de Duitsers ontbo­den, waarvoor weet ik niet. Ik maak mij niet ongerust.” Hij wist zich in en met alles veilig in Gods hand. Na precies vijf maanden stond mevr. Rottenberg op de plaats waar naar man vóór de Duitse ‘heren’ had gestaan om uit hun mond te vernemen, dat hij te Mauthausen was bezweken aan ‘hartverlamming’. Moest deze formidabele leugen de pil vergulden? Het feit blééf hetzelfde. Hij was let­terlijk doodgemarteld. Toen wij haar kort daarop persoonlijk onze deel­neming betuigden trof het ons dat zij, berustend in Gods leiding, vrij was van elke gedachte aan haat jegens de beulen van haar man. Naderhand be­reikten haar nog treffende mondelinge en schriftelijke getuigenissen van hen die niet konden zwijgen van de grote zegen, genoten door middel van ds. Rottenbergs prediking in diverse kampen.

Het zou niet moeilijk zijn hieraan persoonlijke herinneringen toe te voegen, waarvan wij ons moeten onthouden. Ondanks de grootst mogelijke beperking werd deze schets langer dan wij gedacht hadden. Moge de lezing voor allen die er belangstelling voor hadden een krachtige aansporing zijn om hetzelfde doel na te streven, dat Rottenbergs drijfveer was, namelijk de bekering van Israël. Dan zal door deze bijdrage eens te meer de gedachtenis van deze rechtvaardige tot zegen zijn.

Gottlieb Johannes Ornstein

Over de schrijver: Gottlieb Johannes Ornstein (1904-1961) die Rottenberg persoonlijk gekend had, was indertijd secretaris van Hadderech en de vader van onze huidige voorzitter. Dit artikel werd gepubliceerd kort na zijn overlijden in het blad Vrede over Israël van februari 1961.

Een verkorte versie stond in het maandblad Hadderech van juli-augustus 2018


Gelijksoortige artikelen