David Baron

“Gelukkig is hij van wie de overtreding is vergeven” (Psalm 32)

Psalm 32 gaat over de vreugde van Gods vergeving en beschrijft Davids persoonlijke ervaring. We kennen allemaal de duistere geschiedenis van David en Batseba welke hem niet alleen veel leed bezorgde, maar ook een jaar lang in geestelijke duisternis hield.
Tot op de dag van vandaag veroordelen mensen David zonder zich voldoende bewust te zijn van de zonde in hun eigen hart, en vergeten dat, hoewel Davids zonde groot was, zijn berouw ook diep en oprecht was. Dit blijkt uit het feit dat hij zijn zonde niet alleen openlijk beleed, maar dat hij dat in Psalm 32 en 51 in zekere zin door de eeuwen heen heeft gedaan.

Maar uit de afgrond van geestelijke duisternis waarin David door zijn zonde was gevallen, kwam hij omhoog met enkele kostbare schatten, waarvoor de christelijke gemeente God heeft geprezen van generatie op generatie.
Een van deze schatten is Psalm 32, die begint met een zaligspreking: “Gelukkig is hij van wie de overtreding is vergeven, de zonde bedekt is; aan wie de Heere zijn ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.”
Door Gods genade is er nog steeds een weg naar het geluk open, zelfs voor gevallen en zondige mensen zoals David.

De ernst van de zonde in drie Hebreeuwse woorden

De eerste twee verzen van de psalm zetten de grote waarheden over zonde en vergeving uiteen. Laten we eerst eens kijken naar de drie woorden die worden gebruikt om de vreselijke kwaal van de zonde te beschrijven.

1) Pesha` – פֶּשַׁע – ‘overtreding’, dat letterlijk ‘opstand’ betekent. De Septuaginta vertaalt het met het Griekse anomia, ‘wetteloosheid’. Het is een zich afkeren van God door zich te verzetten tegen Zijn wil, zoals geopenbaard in Zijn wet.
2) Chata’ah – חֲטָאָה – ‘zonde’, dat betekent: het doel missen, een afwijking van de eeuwige maatstaf van het goede, van het pad dat God welgevallig is.
3) Avon – עָוֹן – ‘ongerechtigheid’, beschrijft de innerlijke verdorvenheid van onze natuur, die in onze daden zichtbaar wordt.

Dit zijn de drie kenmerken van de dodelijke ziekte van de zonde, waarvan de oorsprong in het hart van de mens ligt. Dat de zonde overal aanwezig is, wordt ook door onze eigen ervaring bevestigd. Aanvankelijk wordt ons geweten misschien gewekt door het schuldgevoel over een of andere overtreding. Maar steeds nadrukkelijker vraagt het onze aandacht, totdat we beseffen dat achter onze afzonderlijke overtredingen de boosheid van ons eigen hart schuilgaat en al onze gedachten, gevoelens, woorden en daden doordringt.

De manier waarop God zonden vergeeft

Het bekendste woord dat het Hebreeuws in verband met vergeving gebruikt is kafar – כָּפַר dat doorgaans vertaald wordt met ‘verzoenen’ maar eigenlijk ‘bedekken’ betekent. Verzoening houdt dus in dat de zonde wordt bedekt of verborgen voor de ogen van de Heilige, die ‘te rein van ogen is om het kwaad aan te zien’ (Hab. 1:13) zonder de zonde met dood te bestraffen.
Op de vraag hoe de zonde kan worden bedekt tegenover de heilige God, wiens majesteit door de zonde is geschonden, geeft Leviticus 17:11 het antwoord. Het leven van het onschuldige offerdier dat zich bevindt in het bloed dat op het altaar wordt uitgegoten, bedekt de zonde van de offeraar die daardoor zijn leven heeft verspeeld. Alleen door het altaar kan de mens het geluk kennen van degene ‘wiens zonde bedekt is’ (vgl. Hebr. 10:19-22).

De rijkdom van vergeving in drie Hebreeuwse woorden

Net zoals in de eerste twee verzen van onze Psalm drie woorden een volledig beeld van zonde geven, beschrijven drie termen hoe God zonden vergeeft.

(a) Nasa – נָשָׂא. Dit is het eerste van de drie gebruikte woorden en wordt vaak vertaald met ‘vergeven’; letterlijk betekent het ‘wegdragen’.
(b) Kasah – כָּסָה, betekent: bedekken, verbergen. Het is alsof de zonde wordt bedekt en daardoor onzichtbaar wordt voor de heilige God, alsof deze nooit heeft plaatsgevonden.
(c) Lo-jachsjov – לֹא יַחְשֹׁב, niet aangerekend of toegerekend; de rekening wordt kwijtgescholden omdat deze al is betaald.

Psalm 32 en de plechtigheden van de Grote Verzoendag

Hoogstwaarschijnlijk riep David, na het zien van een tafereel als dat van de Grote Verzoendag, de woorden van Psalm 32 uit: “Gelukkig is de mens wiens overtreding is weggedragen” (door de met zonden beladen bok); “wiens zonde is bedekt” (door het bloed van de andere bok).
“Gelukkig is de mens aan wie de Heere geen ongerechtigheid heeft toegerekend” (omdat deze op de kop van de bok is gelegd, Lev. 16:21); “in wiens geest geen bedrog is” – die zijn zonden niet langer verdoezelt of zijn geweten het zwijgen oplegt met spitsvondige redeneringen. Gelukkig is de mens die zijn zonden onder ogen ziet en vergeving vindt op de manier die de Heilige God heeft aangewezen.

De ware Grote Verzoendag

Waarschijnlijk hoef ik er niet aan te herinneren dat de Messias het tegenbeeld is van alle offers, en dat de ware Grote Verzoendag de dag van Golgotha was. ‘In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van zonden, naar de rijkdom van Zijn genade (Ef. 1:7).’
Het is interessant om op te merken dat de Messias door de profeten in het Oude Testament al werd beschouwd als degene naar wie de levitische offers en de Mozaïsche voorschriften wezen. Het profetische hoofdstuk dat overeenkomt met Leviticus 16 is Jesaja 53. Ook hier worden ‘ongerechtigheid’, ‘overtreding’ en ‘zonde’ in al hun afschuwelijkheid getoond. Alleen neemt hier de Heere zelf bij wijze van spreken de plaats in van de hogepriester, en is Zijn rechtvaardige Dienaar het zondoffer voor het volk. Wij weten dat het hier gaat over de Messias wiens onberispelijkheid blijkt uit het feit dat Hij geen onrecht had gedaan en dat er geen bedrog in Zijn mond geweest was (vers 9).

Jesaja 53 en de twee zondebokken

In Jesaja 53 worden verschillende toespelingen gemaakt op de plechtige handelingen van de Grote Verzoendag, maar in vers 12 wordt rechtstreeks verwezen naar het tweeledige aspect van de verzoening, zoals dat tot uiting komt in de twee bokken.
‘Hij stortte zijn ziel uit in de dood’ en Hij werd naar de slachtbank geleid (vers 7) en door een gewelddadige dood uit het land der levenden afgesneden (vers 8) precies zoals de bok waarop het lot la-Jehovah viel. Zo verschafte Hij door Zijn kostbaar bloed een bedekking voor de zonden van Zijn volk.
Hij ‘droeg ook de zonden van velen’ (vers 12), net als de levende bok in Lev. 16:22, waar hetzelfde werkwoord wordt gebruikt. Want net zoals de hogepriester op de kop van de andere bok alle zonden van de kinderen van Israël legde, zo legde de Heere de ongerechtigheid van ons allen op de Messias. Daardoor werd Hij die geen zonde kende voor ons tot zonde gemaakt en als een overtreder beschouwd, opdat wij in Hem rechtvaardig voor God zouden worden.

Bron: Bendor Samuel, E. (1945). David Baron and the Hebrew Christian testimony to Israel

Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van september/oktober 2026