M.W. Eberlé-Gotlib
Het is een hoge eer om met Simchat Thora het slot en het begin van de Thora te lezen. Zij die lezen worden chataniem, bruidegoms, genoemd. Men danst met de Thorarollen. Men verheugt zich over de Thora, die de grondslag van de Bijbel en het leven is.
Maar wie de Thora kent, weet dat de mens ondanks alle goede voornemens dagelijks uitglijdt en aan Gods eisen niet voldoet. Steeds opnieuw leert die Thora ons onze zonde kennen, maar tevens houdt ze een heerlijke belofte in: “U zúlt niet doden, u zúlt niet echtbreken, u zúlt niet stelen”. God zal zélf immers ons zo maken dat de lust tot deze zonden ons geheel en al zal vergaan, zoals in Jer. 31:33 staat: “Maar dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen (...): Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven.”
Maar dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen (...): Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven.
Jer. 31:33
In de Messias is met de vervulling van deze belofte begonnen. Door het volbrachte werk op Golgotha te aanvaarden - Zíjn werk, niet ónze werken - en ons daarmee onvoorwaardelijk aan Gods genade over te geven, onderwerpen we ons aan Zijn woord. Dát is een juist gebruik van de Thora. Een onjuist gebruik is zelf te trachten de geboden te volbrengen. Alléén God is goed en alleen Hij kan ons goed maken en deed dat toen Hij onze ongerechtigheid vergaf en daarna onze zonden niet meer gedenkt. Zo ziet God ons nu reeds zondeloos, terwijl we pas in het verheerlijkte lichaam de lust om te zondigen niet meer zullen kennen.
Daarmee is de Wet ons tot evangelie geworden, onze vreugde in de volledig vervulde Wet door onze bruidegom, Jesjoea van Nazareth.
Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van november 1974 en juli/augustus 2026
