Joop Akker
Wie het geloof serieus neemt, zal zich regelmatig afvragen: leef ik zoals God het wil? In zijn brief aan de Efeziërs (4:1) roept Paulus op om te wandelen in overeenstemming met onze roeping. In dit artikel gaan we na hoe het Nieuwe Testament over die roeping spreekt - en wat dat betekent voor ons dagelijks leven.
God roept mensen
Wanneer wíj het over ‘roeping’ hebben, gaat het in het algemeen over de mooie of bijzondere dingen die mensen mogen doen voor anderen of voor God. Maar als het Nieuwe Testament spreekt over onze roeping gaat het niet over dingen die de mens doet voor God maar die God doet voor de mens. Het roepen is steeds een daad van God waardoor Hij de mens verlossing aanbiedt.
In Romeinen 8:29-30 bijvoorbeeld wordt Gods roeping beschreven als een schakel in een keten van goddelijke heilsdaden:
“Hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij ook van tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te worden (…) En hen die Hij van tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.”
De eerste twee schakels spelen zich af in de eeuwigheid van Gods hart. Hij heeft ons tevoren gekend - dat is: tevoren in liefde naar ons omgezien. God heeft ons ook tevoren bestemd ... - dat wil zeggen: van tevoren bepaald dat we gelijkvormig zouden worden aan het beeld van Zijn Zoon. Met dit kennen en bestemmen heeft God dus het volledige herstel van de mens op het oog, die anders gevangen zou blijven in zonde en dood.
De volgende stap op de heilsweg zet God door zijn voornemen uit te voeren en metterdaad iemand te roepen.
Dat roepen gebeurt op verschillende manieren: God kan daarvoor mensen gebruiken, of de Bijbel, of dromen. Ook tegenslag blijkt vaak het moment waarop God iemands leven binnenkomt.
Maar vaak kunnen mensen niet een bepaald moment aanwijzen waarop Jesjoea op de deur van hun hart klopte. Ze kunnen alleen maar achteraf constateren dat de Heilige Geest ergens onderweg aan boord gegaan moet zijn.
Het ‘ja’ van de mens
Wanneer God roept, gebeurt er meer dan dat mensen uitgenodigd worden om deel te nemen aan de verlossing. Het is immers Gód die nodigt en daarom werkt in de roeping al de kracht van Zijn heilswil: Hij grijpt mensen aan, maakt hen vrij uit hun gebondenheid en brengt hen over in het rijk van de Messias. Paulus’ bekering bijvoorbeeld laat zien hoe krachtig Gods roepstem de weerstand tegen het evangelie kan doorbreken.
Gods roepen is echter niet vrijblijvend en wordt alleen dán op de juiste wijze beantwoord als de geroepene antwoordt en zich bekeert, Gods genade aanvaardt en zich laat opnemen in de gemeenschap met de Messias. Maar ook hierbij wil God helpen: het geloof is immers een gave van God (Efeze 2:8).
Geroepen tot rijkdom
Wanneer we alle nieuwtestamentische passages over het roepen van God naast elkaar leggen, blijkt hoe liefdevol God is en hoe rijk de gelovige in de Messias is. We zijn geroepen:
- tot gemeenschap met Gods Zoon, Jezus Christus (1 Cor. 1:9)
- tot vrede (1 Cor. 7:15; Col. 3:15)
- in de ene hoop van onze roeping (Ef. 4:4)
- om vrij te zijn (Gal. 5:13)
- in één lichaam (Col. 3:15)
- tot het eeuwige leven (1 Tim. 6:12)
- tot Gods koninkrijk en heerlijkheid (1 Thess. 2:12)
- niet tot onreinheid, maar in heiliging (1 Thess. 4:7)
- tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus (2 Thess. 2:14; vgl. 1 Petr. 5:10)
- tot het ontvangen van de belofte van de eeuwige erfenis (Hebr. 9:15)
- uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht (1 Petr. 2:9)
- tot lijden (1 Petr. 2:21) - en om aan te vullen wat ontbreekt aan het lijden van de Messias (Kol. 1:24)
- tot het beërven van de zegen (1 Petr. 3:9)
Roeping en levenswandel
In alle passages hierboven hebben ‘roepen’ en ‘roeping’ betrekking op het geluk dat God in de Messias voor mensen bestemd heeft en dat ze daadwerkelijk verkrijgen wanneer ze ingaan op het hen gedane aanbod.
Maar er behoort een evenwicht te zijn tussen roeping en dagelijks leven. Wie tot Gods verlossing geroepen is, behoort zich als een begenadigde te gedragen. Hij hoort te wandelen “waardig aan de roeping waarmee hij geroepen werd (Ef. 4:1, 1 Thess. 2:12).” Waardig betekent eigenlijk: in evenwicht, zoals de schalen van een weegschaal. Enkele voorbeelden:
- Wie tot heiliging geroepen is, heilige zichzelf (1 Thess. 4:7 en 1 Petr. 1:15).
- Omdat Timotheüs geroepen is tot het geloof en het eeuwige leven, roept Paulus hem op om de goede strijd van het geloof te strijden en het eeuwige leven vast te grijpen (1 Tim. 6:12).
- Omdat degenen die bij de Messias horen tot lijden geroepen zijn, roept Petrus christen-slaven op om het hen aangedane leed te verdragen (1 Petr. 2:21).
- En wie uit de duisternis geroepen werd tot Gods wonderbaarlijke licht, kan en wil zich niet langer inlaten met de werken van de duisternis.
Maar ook hierbij wil God ons helpen: Hij geeft ons zijn Geest, zodat wij door de Geest kunnen wandelen en de begeerte van het vlees niet zullen volbrengen (Gal. 5:16).
God geeft het goede voorbeeld
God gedraagt zich overigens zelf ook in overeenstemming met Zijn roepen:
- Degene die Hij roept, rechtvaardigt en verheerlijkt Hij. (Rom. 8:30)
- “Hij die u in de Messias geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, zal u na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten”, schrijft Petrus in 1 Petr. 5:10.
- In 1 Thess. 5:24 zegt Paulus: “Die u roept is getrouw, Hij zal het ook doen”, namelijk onberispelijk bewaren tot de komst van de Messias.
Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen, en wandel in de liefde!
(Efeze 5:1)
Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van maart/april 2026
