opperrabbijn Justus Tal         

Vaak wordt gedacht dat de houding van het jodendom tegenover niet-Joden vijandig en verachtend is. Maar bij de bestudering van de bronnen blijkt het tegendeel het geval.

Ik heb hier en daar gegrepen en wat ik pakte, schreef ik op. Maar wie ernstig gaat zoeken vindt veel meer.

Niet-Joden in het Oude Testament

  • In Leviticus 19:34 wordt Israël opgedragen om de vreemdelingen die bij hen wonen te behandelen als Israëlieten, ”U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.”
  • In Deuteronomium 10:17-18 zegt Mozes dat de grote, machtige en ontzagwekkende God niet partijdig is, geen geschenk in ontvangst neemt, recht verschaft aan de wees en de weduwe, en de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.
  • In 1 Koningen 8:41 bidt Salomo voor de vreemdeling, “die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam, wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt, luistert Ú dan in de hemel en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal.”
  • In Psalm 33:13-15 wordt van God gezegd dat Hij uit de hemel álle mensen gadeslaat. “Vanuit Zijn verheven woonplaats aanschouwt Hij alle bewoners van de aarde. Hij vormt hun aller hart; Hij let op al hun daden.”

Niet-Joden in de rabbijnse literatuur       

God zei tegen Mozes: “Ik maak geen onderscheid tussen mensen. Of iemand nu van Israël is of van een ander volk, man of vrouw, slaaf of vrije: wie iets goeds doet ontgaat zijn loon niet.”[1] God onthoudt dus geen schepsel de beloning die hem of haar toekomt.

  • Pineas, de zoon van Eleazar, zei: “Israëliet of heiden, man of vrouw, slaaf of vrije - op allen rust de goddelijke Geest, al naar gelang hun daden.”[2]
  • Rabbi Jirmija (Meïr) placht te zeggen: Een niet-Jood die zich met Thorastudie bezighoudt staat op één lijn met de hogepriester. Want er staat geschreven: "Mijn verordeningen en mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven." Hier staat niet 'Israëlieten' maar 'de mens'.[3]Evenzo zegt Jesaja in 26:2: “ Doe de poorten open, zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan, dat de trouw bewaart.” Daar staat niet: "Opdat Israëlieten binnentreden".[4]
  • Israël kan steunen op zijn vertegenwoordigers bij de offers, maar de andere volken moeten op eigen kracht staan. Overigens zijn de volken ook een gemeente, sterken, machtigen, wijzen,  onberispelijken, rechtvaardigen, groten en helden, net als Israël.[5]
  • In Zacharia 11:13 staat: “Toen hebben zij mijn loon afgewogen: dertig zilverstukken.” Wie worden bedoeld met ‘dertig zilverstukken’? Dat zijn de 30 hoogstaande edelen onder de heidenen, van wie de verdienste de mensheid in stand houdt.[6]
  • Het is de plicht om uit medemenselijkheid de armen onder de niet-Joden te voeden, net zoals de Joodse, hun zieken te bezoeken, hun doden te begraven, rouwtoespraken over hen te houden, en hun treurenden te troosten.[7]
  • De rechtvaardigen onder de volken hebben deel aan het toekomstige geluk.[8]
  • Het bestelen van een niet-Jood is een ernstiger overtreding dan bij een Jood, want dáár komt nog de ontwijding van Gods naam bij.[9]
  • Moge de niet-Jood die zich aan de zeven plichten van Noach houdt meer geëerd worden dan de Jood die zich niet met Thorastudie bezighoudt.[10]
  • Voor wie werden de 70 stieren in de tempel op Soekkot geofferd? Voor alle volken op aarde. Zolang de tempel bestond, bracht het altaar aan hen verzoening.[11]
  • Laat niemand iets onredelijks doen jegens een niet-Jood. Dat wordt hier op aarde al gestraft.[12]
  • Het gebod van naastenliefde geldt voor alle mensen, ongeacht het volk waartoe iemand behoort.[13]
  • Wanneer iemand ziet dat een niet-Jood een misdaad wil begaan moet hij het hem proberen te beletten. God heeft immers de profeet Jona naar Ninevé gestuurd om de heidenen tot inkeer te bewegen.[14]

Kent de literatuur van het jodendom dan geen enkele uiting van haat tegen heidenen?
Zeker, maar niet zoveel. Hadrianus bijvoorbeeld krijgt wel eens achter zijn naam “zijn gebeente worde verbrijzeld”. De reden is dat Hadrianus de Joden ontzettend gemarteld en vervolgd heeft. Vergelijk dat eens met het ‘van de Duts maken we bouillie’[15] en het 'Heren slagers, doe uw schorten om en hak alle Pruisen en alle Oostenrijkers in stukjes’[16] in de Belgische kinderliedjes. Dan mag men ook wel ten opzichte van de Joden rekening houden met wat er in een mensenhart omgaat.

Bron: Jood en jodendom in christenomgeving, Justus Tal, uitg. W.L. en J. Brusse, 1917.

Justus Tal werd in 1881 in Arnhem geboren. Hij was de zoon van Tobias Tal, opperrabbijn, en van Carolina Wormser. In 1909 slaagde hij voor het kandidaatsexamen in de klassieke Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1911 verkreeg hij de Moré-titel waarmee hij opperrabbijn kon worden. De eerste paar jaar doceerde hij klassieke talen. In 1918 werd hij aangesteld als opperrabbijn van Utrecht. Een jaar later werd hij tevens opperrabbijn van Drenthe. Tal schreef veel boeken over het jodendom. Deze waren om Joden meer bij het jodendom te betrekken maar ook om niet-Joden beter te informeren. Hij wilde daarmee vooroordelen wegnemen en het antisemitisme bestrijden.

Joods Amsterdam  

 

[1] Jalkoet Sjimoni 76

[2] Tanna d. Eliahoe (Rabba) 9

[3] Baba Kamma 38a e.a.

[4] Sifra Achare 13:12

[5] Wajikkra Rabba 5:7

[6] Chullin 92a

[7] Gittit 61a

[8] Tosefta Sanhedrin 13:2

[9] Tosefta Baba Kamma 10:15

[10] Sefer Chassidiem § 358

[11] Soekkot 55b

[12] Sefer Chassidiem § 1074

[13] Sefer Habberiet II - 13:1 en 5

[14] Sefer Chassidiem § 1124. Dezelfde heidenen zijn het berouw-en-inkeer voorbeeld op Grote Verzoendag. Het boek Jona wordt `s middags als Haftara (profetenlezing) gelezen.

[15] ‘Van de Duitsers maken we pap’. Belgisch soldatenjargon uit WO-I.

[16] Franse oorlogspropaganda uit WO-I.

Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van december 2025