Pieter A. Siebesma

Kenmerkend voor gesproken talen is dat ze heel gemakkelijk woorden uit andere talen overnemen. Zo vind je Nederlandse leenwoorden in het Russisch (voornamelijk op het gebied van de scheepsvaart) en Russische leenwoorden in het Nederlands (zoals tsaar en kozak).

Na een jarenlange studie van het Hebreeuws ben ik steeds weer opnieuw verbaasd hoe groot de invloed van het Hebreeuws op onze taal is geweest. Hieronder wil ik een globaal overzicht geven van Hebreeuwse leenwoorden in het Nederlands. Ik hoop dat u aan het eind van dit artikel kunt beamen (ook een Hebraïsme!), dat u meer Hebreeuws kent dan u dacht!

De Statenvertaling

De aan het Hebreeuws ontleende woorden en uitdrukkingen zijn grofweg op vier verschillende manieren in onze Nederlandse taal terechtgekomen:
Via de Statenvertaling, via de Joodse godsdienst, via het Jiddisch en via de taal van het hedendaagse Israël.
De Statenvertaling heeft een diepgaande invloed uitgeoefend op het Nederlands. Omdat letterlijk vanuit het Hebreeuws werd vertaald, bezit het Nederlands veel Hebraïsmen. Een uitgebreid boek over dit onderwerp is ‘De Tale Kanaäns, Bijbelse spreekwoorden en uitdrukkingen’ van J. van Delden. Hij maakt een onderscheid in zeven groepen. Hieronder bespreek ik de relevantste en noem ook eigen voorbeelden uit het Oude Testament:

Woorden letterlijk overgenomen uit het Hebreeuws

Een aantal zelfstandige naamwoorden is door de Statenvertalers niet vertaald, maar heeft men onvertaald in de vertaling laten staan. Hiertoe behoren woorden zoals halleluja, hosanna (via het Aramees uit het Hebreeuws!), amen, sikkel, efod, manna, cherub(ijn), seraf(ijn), sabbat, jubeljaar etc..
Woorden als psalm en apostel zijn ontleend aan het Grieks van het Oude Testament.

Het woord halleluja (letterlijk: prijst de HEERE) is niet alleen in onze taal maar in de meeste talen zo ingeburgerd dat men niet meer beseft dat het Hebreeuws is. Ik heb eens met een Indiase dame gesproken, die niet wilde geloven dat halleluja Hebreeuws was, want het was volgens haar Tamil!
Het woord jubeljaar heeft overigens niets met jubelen te maken! Net als het woord jubileum is het direct, respectievelijk indirect afgeleid van het Hebreeuwse woord jowel, dat ramshoorn betekent. Immers in Lev. 25:8-13 lezen we hoe de Israëlieten telkens in het vijftigste jaar op de Grote Verzoendag de bazuin (de joweel) moesten doen rondgaan in het land om het jaar te heiligen. Vandaar dat men het een jubeljaar noemde, het jaar van het geschal van de ramshoorn, waarin verlossing werd aangekondigd voor het land en haar bewoners.

Eigennamen ontleend aan het Hebreeuwse Oude Testament

Veel plaatsaanduidingen zijn rechtstreeks aan het Oude Testament ontleend, zoals Pniël (gezicht van God), Rehoboth (ruimten) en Eben-Haëzer (steen van de hulp).
Ook uit de vele persoonsnamen valt goed Hebreeuws te leren. Het is onder christenen gebruikelijk om hun kinderen oudtestamentische namen te geven, zoals Benjamin (zoon van de rechterhand, d.w.z. zoon van het geluk), Daniël (God is mijn rechter), Ruben (ziet, een zoon!), Joël (de HEERE is God), Jiska (Hij, d.w.z. de HEERE, zal zien) en Tamar (dadelpalm).
Als men in de naam tot uiting wil brengen dat het kind een geschenk van God is, kan men bij het Hebreeuws goed terecht: Jonatan (de HEERE heeft gegeven), Elnatan (God heeft gegeven), Natanja (gegeven heeft de HEERE), Natanaël (gegeven heeft God) en Mattanja (geschenk van de HEERE).

Het Hebreeuwse ezer (hulp)

Talrijke kerken en christelijke verenigingsgebouwen dragen de naam Eben-Haëzer. Deze populaire naam heeft men ontleend aan 1 Sam. 7:12. Wanneer de Filistijnen door Israël verpletterend zijn versla¬gen, richt Samuël ter herinnering aan dit heuglijke feit een steen op en noemt deze Eben-Haëzer met de woorden: “tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen”. Letterlijk betekent deze naam: de steen van de hulp. Het woord voor hulp (ezer) vindt u ook terug in andere Hebreeuwse woorden en namen, zoals die van de schrijver Ezra (hulp), de knecht van Abraham Eliëzer (mijn God is hulp) en de koning van Juda Azarja (de HEERE heeft geholpen).

We komen het ook tegen bij de schepping van de vrouw. Omdat Adam geen hulp (ezer) vond die bij hem paste (letterlijk staat er: “als tegen¬over hem”) maakt God uit één van zijn ribben de vrouw. In het verleden is dit tekstgedeelte wel aange¬haald om te benadrukken dat de vrouw ten opzichte van haar man een onderworpen positie bezit. Ze zou ‘slechts’ een hulpje zijn! Maar deze gevoelswaarde heeft het in het Hebreeuws bepaald niet. Hulp is iets waar we in dit leven echt niet buiten kunnen. Vandaar dat de Psalm¬dichter in Psalm 121 vraagt: “Waar komt mijn hulp van¬daan?” En het antwoord luidt: “Mijn hulp is van de HEERE die hemel en aarde gemaakt heeft”.
Zonder deze hulp kunnen noch Israël, noch wij het ook maar een ogenblik stellen!

Dit artikel is afkomstig uit het maandblad Hadderech van december 2025