Concerning The Jews, Mark Twain

Mark Twain

In 1898 schreef Mark Twain tijdens zijn verblijf in Wenen zijn beroemd geworden essay concerning the Jews, ‘over de Joden’. Aanleiding waren de verontruste brieven die hij had gekregen van Amerikaanse Joden. In maart van dat jaar had Twain een artikel geschreven waarin hij de Oostenrijkse regering ervan beschuldigd had van het opwekken van antisemitische gevoelens bij de bevolking, zodat de onvrede over het gevoerde beleid zich zou richten op de Weense Joden. Het gevolg was dat deze het slachtoffer werden van wijdverbreide aanvallen, zowel politiek als fysiek.

„In VN-resolutie A/RES/75/98 wordt de historische verbintenis van Joden met de Tempelberg (ook de berg Moria of de berg Sion genoemd) ontkend en wordt daaraan de islamitische naam Al Haram al Sharif toegekend.” beeld RD, Henk Visscher

M. Schram en E. Loenen

Door een signaal als de naamsverandering van de Tempelberg door de VN komt het doel van antisemitisme opeens weer voor het voetlicht: het verwachte Koninkrijk mag er van de vorst der duisternis niet komen. Ondertussen is Israël op veel terreinen nú al een voorbeeld voor de wereld.

Na 75 jaar heeft de Protestantse Kerk (PKN) eind 2020, na de koning en de minister-president van ons land, een ”verklaring van erkenning van verantwoordelijkheid” uitgegeven over haar houding ten opzichte van de Joodse inwoners in Nederland tijdens de pogroms, de Tweede Wereldoorlog en daarna.

Keppel
Revd. Ernest H. Cassuto

De zonde van het antisemitisme is zo oud als het Joodse volk zelf. De hele geschiedenis door is deze het symbool geweest van de strijd tussen God en satan, goed en kwaad, licht en duisternis. Satan is de grote vijand van God en zijn haat tegen de levende God komt tot uitdrukking in zijn haat tegen de Joden. Uit hen immers trad redding de wereld binnen en kwam Jezus voort. En ook het toekomstig heil ontspruit uit Israël. De Messias zelf zegt: “Het heil is uit de Joden (Joh. 4:22).” Daarom moet antisemitisme opgevat worden als verzet tegen Gods heilsplan.

Citaten

Jezus Christus werd als Koning van Israël bekend gemaakt door de engel bij de aankondiging (aan Maria): “God de Heere zal Hem het koninkrijk van zijn vader David geven en Hij zal over het huis van Jacob koning zijn in eeuwigheid (Luk. 1: 32 en33)”. Heeft Maria aan deze woorden een zogenaamd geestelijke zin kunnen hechten? Of is er nadien een andere engel gekomen om voor latere tijden de letterlijke zin van deze woorden weg te nemen?


(Isaäc da Costa, Vijfentwintig stellingen over de nationale wederoprichting van Israël en de wederkomst van de Heere Jezus Christus in heerlijkheid, aangeboden aan de Vergadering van Evangelische Christenen te Parijs, in hun zitting van 30 augustus 1855)